Narcotische Analgetica
Buprenorfine
Butorfanol
Methadon
Buprenorfine
Specialiteiten met
Buprenorfine
Indicaties
Postoperatieve analgesie bij hond en kat. Versterking van de sedatieve effecten van centraal-werkende middelen bij de hond.
Farmacodynamie
Buprenorfine is een partiële agonist van de mu-opiaatreceptoren en is 30 x krachtiger dan morfine. De geïnduceerde analgesie is dosisafhankelijk. In tegenstelling tot de meeste opiaten heeft buprenorfine bij het toedienen van een klinische dosis een beperkt sedatief effect. De hoge affiniteit voor mu-receptoren in het CZS zou een verklaring kunnen zijn voor de langdurige werking van deze stof. Invloed op het cardiovasculair systeem veroorzaakt een daling van de bloeddruk en het hartritme. Onderdrukking van de ademhaling is mogelijk. Gastro-intestinale symptomen komen relatief weinig voor.
Farmacokinetiek
Bruprenorfine wordt na im-injectie snel geresorbeerd. Bij de rat wordt de stof in hoge mate verdeeld naar de lever, maar komt ook voor in de hersenen, het GIS en placenta. Buprenorfine bindt in hoge mate met plasmaeiwitten (96 %). De stof diffundeert doorheen de placenta en in de melk. Metabolisatie gebeurt in de lever door N-dealkylisatie en glucuronidatie. De metabolieten worden vooral uitgescheiden via de gal (70 %) en in mindere mate via de urine (27 %). Analgetische effecten treden op na ongeveer 30 minuten met piekeffecten na 1–1,5 uur. Gecombineerde farmacokinetische en farmacodynamische studies hebben een duidelijke vertraging aangetoond tussen de plasmaconcentraties en het analgetisch effect.
Contra-indicaties
Niet pre-operatief gebruiken in het geval van een keizersnede. Hypothyroïdie, nierinsufficiëntie, adrenocorticale insufficiëntie, geriatrische of sterk verzwakte dieren worden eveneens als contra-indicatie aangehaald.
Bijwerkingen
Speekselen, bradycardie, hypothermie, agitatie, dehydratatie en miosis kunnen voorkomen bij de hond en in zeldzame gevallen hypertensie en tachycardie. Mydriasis en tekenen van euforie (overmatig spinnen, heen en weer lopen en kopjes geven) komen vaak voor bij de kat en verdwijnen gewoonlijk binnen 24 uur. Buprenorfine kan een ademhalingsdepressie veroorzaken. Tenzij de aanbevolen dosissen worden overschreden, wordt bij gebruik van buprenorfine als analgeticum zelden sedatie opgemerkt. Bij overdoseringen kunnen opiaatantagonisten (bv. naloxon) of ademhalingsstimulantia (bv. doxapram) gebruikt worden.
Interacties
Buprenorfine kan slaperigheid veroorzaken, die kan worden versterkt door andere centraal-werkende middelen zoals tranquillizers, sedativa en hypnotica. Het is aanbevolen om buprenorfine niet samen met morfine of andere opiaattype analgetica, bv. etorfine, fentanyl, pethidine, methadon, papaveretum of butorfanol, te gebruiken. Buprenorfine is succesvol gebruikt in combinatie met acepromazine, alphaxalone/alphadalone, atropine, dexmedetomidine, halothaan, isofluraan, ketamine, medetomidine, propofol, sevofluraan, thiopentone en xylazine. Het gecombineerd gebruik met sedativa, kan de depressieve effecten op hartritme en ademhaling doen toenemen.
Voorzorgen bij het gebruik/Risico voor de mens
Vooaleer men de therapie start moeten risico’s en baten worden afgewogen voor dieren met lever-, nier- of hartstoornissen of dieren in shock, dieren met een verstoorde ademhaling, dieren die behandeld worden met andere geneesmiddelen met invloed op de ademhaling of dieren met een verminderde leverfunctie, klinisch gecomprommitteerde katten, en voor dieren jonger dan 7 weken. De veiligheid voor toediening van buprenorfine aan katten voor langere periodes (> 5 d) werd niet onderzocht.
Het effect van een opiaat op hoofdletsel is afhankelijk van de aard en de ernst van het letsel en van de verstrekte respiratoire ondersteuning.
Buprenorfine kan bij de mens ademhalingsdepressie veroorzaken en kan het leven van kinderen in gevaar brengen. In geval van inname door de mens of accidentele zelfinjectie, dient onmiddellijk een arts te worden geraadpleegd. Na oog- of huidcontact, overvloedig spoelen met koud stromend water.
Voortplanting en lactatie
Er zijn geen reproductieve toxiciteitonderzoeken uitgevoerd bij de doeldieren. Het preoperatief gebruik van buprenorfine bij het uitvoeren van een keizersnede is omwille van het risico van een ademhalingsdepressie bij de neonati af te raden. Buprenorfine wordt uitgescheiden met de melk en het gebruik bij zogende dieren is daarom af te raden.
Specialiteiten met buprenorfine
- BUPRENODALE 0,3 mg/ml (Dechra Veterinary Products BV)
- buprenorfine (hydrochloride): 0,3 mg/ml
- oplossing voor injectie im
- Posologie:
- - postoperat analgesie:
Ca: 10 - 20 mcg/kg (herhaal indien nodig na 3 - 4 h met 10 mcg of na 5 - 6 h met 20 mcg) Fe: 10 - 20 mcg/kg (herhaal 1x indien nodig na 2 h) - versterking sedatieve effecten: Ca: 10 - 20 mcg/kg - ampul 5 x 1 ml
- R/psych
- VETERGESIC MULTIDOSIS 0,3 mg/ml inj opl hond en kat (Reckitt Benckiser Healthcare Ltd)
- buprenorfine: 0,3 mg/ml
- oplossing voor injectie im, iv
- Posologie:
- Ca:
- postoperat analgesie: 10-20 mcg/kg (herhaal indien nodig na 3-4 h met 10 mcg/kg of na 5-6 h met 20 mcg/kg), - versterking sedatie: 10-20 mcg/kg Fe: postoperat analgesie: 10-20 mcg/kg (herhaal indien nodig 1 x na 1-2 h) - fles 10 ml
- R/psych

Butorfanol
Specialiteiten met
Butorfanol
Indicaties
Kortwerkende analgesie bij de hond of bij het paard. Voor verlichting van pijn bij gastro-intestinale koliek bij het paard en voor de verlichting van gematigde viscerale pijnen bij de hond. Voor de sedatie in combinatie met bepaalde alfa-2-adrenoreceptoragonisten bij hond en paard.
Farmacodynamie
Butorfanoltartraat is een R(-)-enantiomeer met een centraal analgetische werking; agonistisch op de kappa-opioïdreceptoren en antagonistisch op de mu-opioïdreceptoren. De kappa-receptor controleert pijn, sedatie zonder depressie van het cardiopulmonair systeem en van de lichaamstemperatuur, de mu-receptor controleert supraspinale pijn, sedatie en depressie van het cardiopulmonair systeem en lichaamstemperatuur. De agonistische werking van butorfanol is 10x sterker dan de antagonistische werking. Het analgetisch effect treedt in werking 15 min. na intraveneuze toediening en houdt bij het paard meestal 15-60 min aan en bij de hond 15-30 min. (na een enkelvoudige I.V. toediening).
Farmacokinetiek
Butorfanol wordt volledig geresorbeerd na intramusculaire injectie. Het distributievolume is groot, met grote concentraties in de lever, de nieren en de ingewanden. Butorfanol passeert doorheen de placentabarière en wordt eveneens met de melk uitgescheiden. Bij de mens wordt ongeveer 80 % van de stof gebonden aan plasma-eiwitten. Butorfanol wordt voornamelijk gemetaboliseerd in de lever en geëxcreteerd in de urine. De metabolieten zijn niet actief. Zowel bij het paard als bij de hond heeft butorfanol een hoge clearance (gemiddeld 1,3 l/h.kg na iv-injectie bij het paard en 3,5 l/h.kg na im-injectie bij de hond). Butorfanol heeft een korte halfwaardetijd (gemiddeld < 1 h bij het paard en < 2 h bij de hond), daardoor is 97 % van de dosis gemiddeld na minder dan 5 h bij het paard (iv) of 10 h bij de hond (im) geëlimineerd. Farmacokinetiek na herhaalde dosering werd niet bestudeerd.
Contra-indicaties
Niet toedienen aan dieren met lever- of nierziekten, hypothyroïdie of hypoadrenocorticisme (ziekte van Addison). Voorzichtigheid is tevens geboden bij dieren met een hoofdtrauma, verhoogde craniale druk of dieren met stoornissen ter hoogte van het centrale zenuwstelsel. Butorfanol/detomidine combinatie mag niet toegediend worden aan paarden met gekende hartritmestoornissen of in geval van koliek met obstipatie gezien de verminderde gastro-intestinale motiliteit veroorzaakt door deze combinatie. De veiligheid van onderstaande specialiteit werd niet aangetoond bij jonge pups en veulens.
Zie verder Voorzorgen bij het gebruik.
Bijwerkingen
Paard: locomotorische prikkeling (stappen), ataxie, verminderde gastro-intestinale motiliteit, depressie van het cardiovasculair systeem. Hond: depressie van het ademhalingsstelsel en het cardiovasculair systeem, anorexie en diarree, verminderde gastro-intestinale motiliteit, lokale pijn na intramusculaire injectie. Bij overdosering treedt een respiratoire depressie op, die omgekeerd kan worden met een opioide antagonist. Andere tekenen van overdosering bij paarden zijn: rusteloosheid/prikkelbaarheid, spiertremor, ataxie, hypersalivatie, verminderde gastro-intestinale motiliteit en stuipen.
Interacties
Het gelijktijdig gebruik van andere depressiva die op het centrale zenuwstelsel werken, kan de effecten van butorfanol versterken en moeten daarom voorzichtig gebruikt worden. De dosis moet verminderd worden indien deze middelen samen worden gebruikt. Mits aanpassing van de dosis kan butorfanol gebruikt worden in combinatie met andere sedativa zoals alfa-2 adrenergica (b.v. romifidine, of detomidine bij paarden, medetomidine bij honden). De combinatie van butorfanol en alfa-2 adrenergica moet met voorzichtigheid gebruikt worden bij dieren met een cardiovasculaire aandoening. Het gebruik samen met anticholinergische geneesmiddelen, b.v. atropine, dient weloverwogen te zijn. Door de antagonistische eigenschappen van butorfanol op de opiate mu-receptor zou butorfanol de analgetische werking bij dieren die reeds zuivere mu-opioid agonisten toegediend kregen, kunnen opheffen.
Voorzorgen bij het gebruik
Aangezien het product aanleiding kan geven tot voorbijgaande ataxie en/of excitatie moet, in het bijzonder bij het paard, de plaats van de behandeling met zorg gekozen worden om eventuele verwondingen bij patiënt en behandelende persoon te vermijden. Bij dieren met ademhalingsproblemen met een verhoogde slijmproductie of bij dieren die behandeld werden met een expectorans, mag butorfanol (onderdrukt hoestreflex) enkel gebruikt worden na het afwegen van de risico’s en baten.
Voortplanting en lactatie
De veiligheid van dit diergeneesmiddel werd niet aangetoond bij de doeldieren gedurende dracht en lactatie. Het gebruik van deze stof gedurende dracht en lactatie is niet aanbevolen.
Specialiteiten met butorfanol
- DOLOREX (Intervet)
- butorfanol (tartraat): 10 mg /ml
- oplossing voor injectie iv, im, sc
- Posologie:
- Eq:
Analgesie: 0,05-0,1 mg/kg (iv) Sedatie: 0,01-0,02 mg/kg (met vooraf 0,01-0,02 mg/kg detomidineHCL) of 0,02 mg/kg (met vooraf 0,05 mg/kg romifidine) (iv) Ca: Analgesie: 0,2-0,4 mg/kg (iv) Sedatie: 0,1-0,2 mg/kg (met vooraf 0,01-0,03 mg/kg medetomidine) (im) Fe: Analgesie: 0,4 mg/kg (sc) - Vlees: 0 d, Melk: 0 d
- fles 10 ml, 50 ml
- R/psych
- MORPHASOL 4 mg/ml inj opl hond en kat (aniMedica)
- butorfanol (tartraat): 4 mg/ml
- oplossing voor injectie iv
- Posologie:
- Ca:
analgesie: 0,2 - 0,4 mg/kg sedatie: 0,1 - 0,2 mg/kg butorfanol met 10 - 30 mcg/kg medetomidine Fe: analgesie: 0,1-0,2 mg/kg - fles 10 ml
- R/psych
- MORPHASOL 10 mg/ml inj opl paard (aniMedica)
- butorfanol (tartraat): 10 mg/ml
- oplossing voor injectie iv
- Posologie:
- Eq:
analgesie: 100 µg/kg sedatie: - 12 µg detomidinehydrochloride/kg (iv), binnen 5 min gevolgd door 25 µg butorfanol/kg - 40 - 120 µg romifidine/kg (iv), binnen 5 min gevolgd door 20 µg butorfanol/kg - 500 µg xylazine/kg (iv), onmiddellijk gevolgd door 25 - 50 µg butorfanol/kg - Vlees + organen: 0 d, Melk: 0 d
- fles 20 ml
- R/psych

Methadon
Indicaties
Methadon is bij de hond geïndiceerd voor de bestrijding van pijn en in combinatie met een neurolepticum, als premedicatie voor algemene anesthesie of neuroleptanalgesie.
Farmacodynamie
Methadon is een racemisch mengsel waarin het D-isomeer als NMDA-receptorantagonist de heropname van norepinefrine remt en het L-isomeer een µ-opioïde receptor-agonist is. Zowel de µ1 als µ2 subtypes de analgetische effecten van methadon veroorzaken, terwijl het µ2 subtype de ademhalingsdepressie en de inhibitie van de gastrointestinale motiliteit veroorzaakt. Het µ1 subtype veroorzaakt supraspinale analgesie en de µ2 receptoren spinale analgesie. Methadon veroorzaakt een krachtige analgesie. Deze stof kan ook worden gebruikt voor premedicatie en kan voor sedatie helpen zorgen in combinatie met tranquillizers of sedativa. De duur van de werking kan variëren tussen 1,5 en 6,5 h. Opioïden veroorzaken een dosisafhankelijke respiratoire depressie. Een zeer hoge dosering kan convulsies veroorzaken.
Farmacokinetiek
Bij honden wordt methadon na een intramusculaire injectie van 0,3 - 0,5 mg/kg zeer snel opgenomen (Tmax 5-15 min). Bij hogere dosissen komt de Tmax later, wat erop wijst dat een hogere dosis de absorptiefase verlengt. De snelheid en omvang van de systemische blootstelling van honden aan methadon na intramusculaire toediening blijkt te worden gekenmerkt door een dosis-onafhankelijke (lineaire) kinetiek. De biologische beschikbaarheid is groot (65,4 - 100%) met een geschat gemiddelde van 90 %. Na een subcutane toediening van 0,4 mg/kg wordt methadon trager opgenomen (Tmax 15 – 140 min) en bedraagt de biologische beschikbaarheid 79 ± 22%. Bij honden bedroeg het distributievolume in de stationaire fase (Vss) respectievelijk 4,84 en 6,11 l/kg bij reuen en teefjes. De terminale halfwaardetijd ligt tussen 0,9 en 2,2 h na intramusculaire toediening en is niet afhankelijk van de dosis of het geslacht. Na een intraveneuze toediening kan de terminale halfwaardetijd iets langer zijn. Na subcutane toediening ligt de terminale halfwaardetijd tussen 6,4 en 15 h. De totale plasmaklaring van methadon na intraveneuze toediening is hoog 2,92 - 3,56 l/h/kg of ca. 70% - 85% van de cardiale plasmaoutput bij honden (4,18 l/h/kg). Methadon wordt uitgebreid aan eiwitten gebonden (60 - 90%). Opioïden zijn lipofiele, zwakke basen hetgeen de intracellulaire accumulatie bevordert en het grote distributievolume, dat het totale lichaamswater ver overtreft. Een kleine hoeveelheid (bij de hond 3 - 4%) van de toegediende dosis wordt ongewijzigd uitgescheiden in de urine; de rest wordt gemetaboliseerd in de lever en vervolgens uitgescheiden. De dosering is afhankelijk van de gewenste graad van analgesie, de gewenste duur van de werking en het gelijktijdig gebruik van andere analgetica en anesthetica. Bij een gecombineerd gebruik met andere middelen, kan een lagere dosering worden gebruikt. Aangezien de individuele reactie op methadon kan verschillen en deels afhangt van de dosering, de leeftijd van de patiënt, individuele verschillen qua pijngevoeligheid en de algemene conditie, moet het optimale doseerregime individueel worden bepaald. Het middel begint te werken 1 uur na subcutane toediening, ongeveer 15 minuten na intramusculaire injectie en binnen 10 minuten na intraveneuze injectie. Na een intramusculaire of intraveneuze toediening houdt de werking ongeveer 4 uur aan. Het dier dient regelmatig onderzocht te worden om te bepalen of aanvullende analgesie al dan niet vereist is.
Contra-indicaties
Niet gebruiken bij dieren met een progressieve respiratoire aandoening of met een ernstige lever- of nierfunctiestoornis.
Bijwerkingen
Ademhalingsdepressie kan voorkomen. Milde reacties zoals: hijgen, liplikken, speekselen, vocalisatie, onregelmatige ademhaling, hypothermie, starende blik en lichaamstremoren werden vastgesteld. Binnen het eerste uur na de toediening kan soms urinatie en defecatie voorkomen. Alle reacties waren van tijdelijke aard.
Interacties
Methadon kan de werking versterken van analgetica, middelen die het centraal zenuwstelsel onderdrukken en stoffen die ademhalingsdepressie veroorzaken. Naloxon kan de werking van methadon opheffen.
Voorzorgen bij het gebruik en risico’s voor de mens
De veiligheid van methadon is niet bewezen bij dieren jonger dan 8 weken. De werking van een opioïde bij hoofdletsels is afhankelijk van het soort letsel, de ernst ervan en de gebruikte ademhalingsondersteuning.
Methadon kan ademhalingsdepressie veroorzaken in geval van huidcontact of accidentele zelfinjectie. Vermijd contact met de huid, ogen en mond en draag ondoordringbare handschoenen bij het hanteren van dit product. Methadon kan doodgeboorte veroorzaken. Zwangere vrouwen wordt geadviseerd dit diergeneesmiddel niet te hanteren. In geval van accidentele zelfinjectie, dient onmiddellijk een arts te worden geraadpleegd en de bijsluiter of het etiket te worden getoond, maar BESTUUR GEEN VOERTUIG aangezien sedatie kan optreden.
Voortplanting en lactatie
Methadon passeert de placenta en kan negatieve effecten hebben op de voortplanting. De veiligheid van het diergeneesmiddel is niet bewezen bij honden tijdens de dracht en lactatie. Gebruik van het product wordt afgeraden tijdens de dracht.
- COMFORTAN 10 mg/ml (Eurovet A.H.)
- methadon hydrochloride: 10 mg/ml
- oplossing voor injectie sc, im of iv
- Posologie:
- analgesie, premedicatie en/of neuroleptanalgesie:
Ca: 0,5 - 1 mg/kg (sc, im, iv) dosering individueel aanpassen en aanpassen naargelang het gevolgde protocol - fles 10 ml
- R/psych

|