Injecteerbare
anaesthetica voor algemeen gebruik
Barbituraten
Specialiteiten met:
Pentobarbital
Zie ook pentobarbital voor euthanasie
Barbituraten zijn oudere injecteerbare anaesthetica. Pentobarbital is enkel geregistreerd voor diergeneeskundige toepassingen in België; thiopental en fenobarbital zijn humane producten. Door substituties van het barbituurzuur ontstonden diverse moleculen die verschillen vertonen in potentie, snelheid van werking, eliminatie en metabolisatie, alsook in hun hypnotische, anticonvulsieve en anesthetische activiteit.
Indicaties
1. Ultra-kortwerkende barbituraten (o.m. methohexital) zijn niet meer beschikbaar.
2. Kortwerkende thiobarbituraten (zoals thiopental als oplosbaar poeder): inductie en eventueel onderhoud van de anesthesie. Het onderhoud van de anesthesie en de daaropvolgende recovery kunnen wisselvallig verlopen gezien het cumulatief effect (verlengde recovery). Het posologieschema wordt eveneens bepaald in functie van de toegediende premedicatie.
3. Middellangwerkende barbituraten (pentobarbital als oplossing van 6 % of 20 %). De hogere concentratie die een klein injectievolume toelaat, is voorbehouden voor euthanasie.
4. Langwerkende barbituraten (fenobarbital): door een fenolgroep op positie 5 kunnen deze oraal worden toegediend voor o.m. de behandeling van epilepsie.
Farmacodynamie
Hun werkingsmechanisme is nog steeds niet volledig opgehelderd doch hun voornaamste werking is een onderdrukking van de impulsen die naar de cerebrale cortex leiden. Ze beïnvloeden de vrijstelling en de werking van verschillende neuromodulatoren waaronder het gamma-aminoboterzuur (GABA) en induceren tevens een daling van de geleidbaarheid van ionenkanalen. Hun werking op glycinereceptoren rechtvaardigt hun gebruik bij intoxicatie met strychnine. Hun overwegend onderdrukkend effect ter hoogte van het centraal zenuwstelsel kan bij een accidentele of gewenste overdosering leiden tot coma en dood en dit hoofdzakelijk veroorzaakt door remming van het ademhalingscentrum. Het dosisafhankelijk effect varieert van een variabele sedatie tot een toestand van algemene anesthesie en zelfs euthanasie. Bij snelle injectie ontstaat een diepe narcose; bij trage injectie dient de dosis verhoogd te worden. De analgesie en spierrelaxatie zijn eerder matig tot slecht. Het verkregen effect is afhankelijk van de actieve substantie, de diersoort, de toedieningsweg, de posologie en de farmacokinetische eigenschappen van de molecule.
Farmacokinetiek
Na toediening ondergaan de barbituraten een herdistributie over 3 compartimenten. Dit herdistributiepatroon verklaart het cumulatieve effect van deze stoffen bij herhaalde toedieningen. Het eiwitgehalte in het plasma (thiopental heeft een hoge eiwitbinding) en de pH van het bloed (een lage pH geeft een hogere fractie van de actieve geïoniseerde vorm) bepalen de hoeveelheid vrije fractie in het bloed. Bij het gebruik van de kortwerkende barbituraten gebeurt het snelle ontwaken door de herdistributie van het actief bestanddeel naar het vetweefsel. Bij herhaalde toedieningen dient de dosis te worden verlaagd gezien de saturatie van deze stof in het vetweefsel (cumulatief effect). Pentobarbital heeft een trage herdistributie die het langwerkend effect verklaart. Alle barbituraten passeren snel de bloed-hersen barrière en de placenta. De inductiesnelheid van de molecule wordt bepaald door haar vetoplosbaarheid. Thiobarbituraten worden voornamelijk in de lever en andere weefsels gemetaboliseerd om renaal uitgescheiden te worden. Fenobarbital wordt voornamelijk renaal uitgescheiden. De positie van pentobarbitural ligt tussen deze beide in. Alkalinisatie van de urine kan de eliminatiesnelheid verhogen van barbituraten die voornamelijk via de urine worden uitgescheiden. Alhoewel minder toepasbaar in de diergeneeskunde induceren deze stoffen een afhankelijkheid en tolerantie die tot steeds hogere dosissen leidt. De therapeutische index blijft echter gelijk.
Contra-indicaties
Hypovolemie, ernstige respiratoire en/of metabole acidose, anemie, respiratoire stoornissen, ernstige leverinsufficiëntie manen aan tot extra voorzichtigheid. Katten zijn meer gevoelig voor respiratoire depressie. Bepaalde hondenrassen zoals de boxer (abnormale anatomie van de farynx) en windhonden (langdurig effect na toediening van kortwerkende barbituraten) zijn bijzonder gevoelig voor het gebruik van barbituraten. Pentobarbital mag niet aangewend worden voor de behandeling van convulsies veroozaakt door een intoxicatie met lidocaïne.
Bijwerkingen
Belangrijke bijwerkingen worden vastgesteld, in het bijzonder bij het gebruik van hogere dosissen. Een dosisafhankelijke respiratoire en cardiale depressie kan optreden, die naargelang het individu en de gebruikte dosis, kan leiden tot een respiratoire en cardiale stilstand. Soms komt het tot een volledige stilstand van de hersenactiviteit. Cardiale effecten zoals tachycardie, arytmieën, hypotensie en een vermindering van de myocardiale contractiliteit kunnen optreden bij lagere dosissen en in het bijzonder bij patiënten die lijden aan hartinsufficiëntie of hypotensie. Renale stoornissen zoals oligurie en anurie kunnen voorkomen ten gevolge van een ernstige en aanhoudende hypotensie. Barbituraten hebben eveneens een remmende invloed op de motoriek van het spijsverteringsstelsel. De fijne motoriek en coördinatie van de spierbewegingen zijn na de recoveryperiode vaak gestoord. De behandeling van een barbituraatintoxicatie gebeurt uitsluitend symptomatisch en bestaat uit het onderhouden van de gestoorde vitale functies. Kunstmatige beademing, het gebruik van ondersteunende medicatie voor de onderdrukte ademhalings- en cardiovasculaire stelsels en alkalinisatie van de urine behoren tot de meest gebruikte maatregelen. De alkalinisatie van de urine beoogt een verminderde reabsorptie van de barbituraten in de renale tubuli.
Interacties
Inductie van het microsomiale systeem in de lever kan bij een langdurig gebruik van deze stoffen de metabolisatie van andere geneesmiddelen wijzigen. Moleculen die een invloed hebben op het cytochroom P450 kunnen de biotransformatie van barbituraten wijzigingen. Het effect van barbituraten wordt versterkt door chlooramfenicol dat bekend is om zijn invloed op cytochroom-P450. De inductie van dit enzymsysteem door barbituraten zal de werking van orale anticoagulantia, glucocorticoïden, betablokkers (propanolol), theofilline en metronidazole reduceren. Barbituraten hebben een synergistisch effect wanneer ze toegediend worden met andere geneesmiddelen die een invloed op het centraal zenuwstelsel hebben (bijv. andere anaesthetica, sedativa, hypnotica,fenothiazines en antihistaminica). Glucose versterkt het effect van barbituraten waardoor er een diepere anesthesie kan ontstaan of waardoor een heranesthesie kan optreden indien glucose gegeven wordt tijdens de recovery aan vogels, hamsters en konijnen (honden in mindere mate).
Voorzorgen bij het gebruik
Bij kleine huisdieren dient 1/3 van de dosis relatief snel IV geïnjecteerd te worden om excitatie te vermijden. Vervolgens wordt getitreerd tot effect. Bij grote huisdieren wordt de dosis meestal als IV bolus toegediend waarbij een “crash”-inductie optreedt. Dit gaat vaak gepaard met een inductie-apnee. Door de sterke alkalische pH van de oplossing is een strikt intraveneuse toediening vereist. Aangepaste verdunningen zijn aangewezen (1,25 tot 2,5 %) om aantasting van de venenwand te vermijden. Periveneuse toediening resulteert is necrose van de weefsels. Intraperitoneale toediening kan eventueel gebruikt worden bij kleinere diersoorten doch geeft een onvoorspelbare anesthesie (zowel qua lengte als effect).
Voortplanting en lactatie
Barbituraten zijn embryotoxisch en veroorzaken congenitale afwijkingen. Kleine hoeveelheden worden uitgescheiden met de melk en kunnen sedatie bij zogende jongen veroorzaken. Ze veroorzaken respiratoire depressie bij de foeti en kunnen best niet toegediend worden voor het uitvoeren van een keizersnede.

Pentobarbital
- NEMBUTAL (Ceva S.A.)
- natriumpentobarbital: 60 mg/ml
- oplossing voor injectie iv (ip)
- Posologie:
- Ca: 25 - 35 mg/kg
Fe: 25 mg/kg
labdier: 25 - 35 mg/kg - fles 100 ml
- R/psych

Dissociatieve anaesthetica 
Specialiteiten met:
Ketamine
Tiletamine gecombineerd met zolazepam
Phencyclidine, tiletamine en ketamine behoren tot de groep van de dissociatieve anaesthetica en zijn derivaten van cyclohexylamine. In België zijn enkel ketamine en tiletamine geregistreerd voor diergeneeskundig gebruik. Tiletamine heeft t.o.v. ketamine, een langere werking en een groter analgetisch effect.
Indicaties
Dissociatieve anaesthetica bezitten een relatief grote therapeutsiche breedte met een kleine orgaantoxiciteit. Ze kunnen gebruikt worden als intraveneus of intramusculair anaestheticum en induceren een goede perifere analgesie. De invloed op ademhaling is matig waarbij slik- en hoestreflexen nagenoeg niet onderdrukt worden. Wegens de geringe viscerale analgesie en de kans op catalepsie met het optreden van spierrigiditeit is het gebruik als mono-anaestheticum niet aangewezen. Het gelijktijdig gebruik van benzodiazepines vermindert het optreden van de cataleptiforme spierrigiditeit. Ketamine is een waterige oplossing van een racemisch mengsel waarbij de S-vorm de actieve analgetische component is. Tiletamine is beschikbaar als een gelyofiliseerd poeder (250 mg) in combinatie met zolazepam (1:1), een benzodiazepine (spierrelaxatie, anticonvulsief). Nadeel van deze combinatie is het onvermogen om de dosis van een component aan te passen aan de behoeften. De posologie wordt bepaald door de soort premedicatie (lagere dosering bij gebruik van alfa-2 agonisten). Naast de indicaties die in de bijsluiter opgenomen zijn, worden nog andere indicaties in de literatuur beschreven. Het gebruik van deze stoffen voor indicaties die niet opgenomen zijn in de bijsluiter kan slechts op verantwoordelijkheid van de dierenarts.
Farmacodynamie
Dissociatieve anaesthetica induceren na iv of im toediening een anesthesiestadium dat gekenmerkt wordt door een oppervlakkige slaap, gecombineerd met een goede somatische of perifere analgesie (zwakkere viscerale component). Bij lage iv dosissen van ketamine (boli of continu infuus) treedt een gunstig perifeer analgetisch effect op, nuttig voor per- en postoperatief gebruik. Epiduraal gebruik van ketamine resulteert in een korte, doch goede, perifere analgesie van de achterhand. Het electro-encefalogram toont een dissociatie aan tussen de thalamus en het limbisch systeem (met epileptiforme patronen). Bepaalde regio's zoals de thalamus en de cortex worden onderdrukt terwijl het limbisch systeem actief blijft (mogelijke verklaring van de hallucinogene effecten). Het dissociatieve karakter verklaart eveneens het optreden van een verhoogde spiertonus, het behoud van faryngeale en laryngeale reflexen, de kaaktonus en oogbewegingen (met nystagmus) en het openblijven van de oogleden. Het werkingsmechanisme is complex en steunt op interacties met meerdere receptoren waaronder het antagoniseren van de N-methyl-D-aspartaatreceptor en mediatoren in het centraal zenuwstelsel o.m. in de hersenen en dorsale hoorn van het ruggenmerg.
Farmacokinetiek
Ketamine is voorhanden als een oplossing voor intraveneuze, intramusculaire of subcutane injectie; epidurale toediening is eveneens mogelijk bij toepassing van het cascadesysteem. Tiletamine is gecombineerd met zolazepam als gelyofiliseerd poeder (1:1). Omwille van de hoge vetoplosbaarheid, het laag moleculair gewicht en de pKa van 7.5 treden de effecten van ketamine op het centraal zenuwstelsel snel op (tmax: 10 minuten), maar houden 3 maal minder lang aan dan deze van tiletamine. De halfwaardetijd bedraagt ongeveer 1 tot 3 uur en varieert naargelang de diersoort. Ketamine heeft een hoge vetoplosbaarheid en wordt verdeeld over alle weefsels met een voorkeur voor de hersenen, de lever, de longen en het vetweefsel. Ketamine passeert eveneens de placentabarrière. Het verdwijnen van de centraal zenuwstelsel effecten na een éénmalige bolus is veroorzaakt door een snelle herdistributie vanuit de hersenen na de andere weefsels. De metabolisatie van ketamine gebeurt bij de hond en het paard door demethylatie en hydroxylatie in de lever waarna de metabolieten en een gedeelte van de ongewijzigde vorm worden uitgescheiden in de urine. De beperkte hepatische metabolisatie bij de kat veklaard dat ketamine onveranderd wordt geëlimineerd door de nieren. Ketamine induceert bij herhaalde toediening een verhoging van de microsomiale enzymes in de lever waarbij tolerantie op langere termijn kan waargenomen worden.
Contra-indicaties
Contra-indicaties zijn: mogelijke hypersensibiliteit tegen ketamine, gebruik als monoanaestheticum bij chirurgische ingrepen, patiënten met lever-, nier- of hartinsufficiënties, verhoogde intracraniële druk (koptrauma), glaucoom of geplande intra-oculaire ingrepen, dieren behandeld met organofosfaten. Gezien het behoud van slik- en hoestreflex worden ingrepen aan larynx, farynx en trachea soms bemoeilijkt. Bij de mens is er gevaar op ernstige hypertensie en tachycardie bij patiënten met hyperthyroïdie of patiënten die exogeen thyroïdhormoon toegediend krijgen. De relevantie hiervan in de diergeneeskunde is niet volledig gekend, doch in bepaalde omstandigheden (sterke verhoging van bloeddruk) werden o.m. bij de kat, myocardiale letsels vastgesteld na gebruik van ketamine.
Bijwerkingen
Door de lage pH van de oplossing (3,5) kunnen pijn- en weefselreacties na intramusculaire toediening optreden. Dissociatieve anaesthetica induceren een verhoging van de cerebrale bloedvloei en de intracraniale en intra-oculaire drukken (tegenaangewezen bij verhoogde intracraniale druk, kop- en corneatrauma). Hallucinatieachtige effecten kunnen tijdens de recovery vastgesteld worden (abnormaal gedrag, overdreven reacties op stimuli). Door de indirecte stimulatie van het cardiovasculaire systeem (sympathische effect, positief inotroop effect) treedt na toediening van dissociatieve anaesthetica een verhoging op van het hartritme, de bloeddruk en het hartdebiet doch met een constante perifere weerstand. De verhoogde coronaire bloedvloei na ketaminetoediening kan in bepaalde omstandigheden onvoldoende zijn om het verhoogde myocardiale zuurstofverbruik te compenseren (optreden van myocardiale letsels bij de kat). Dissociatieve anaesthetica hebben weinig respiratoire depressieve effecten waarbij echter een apnee en onregelmatige ademhalingspatronen kunnen optreden. Overdosering resulteert in een ernstige ademhalingsdepressie of -stilstand. Een verhoogde bronchiale en speekselsecretie en viskeuzere secreties treden op die eventueel met parasympathicolytica verminderd kunnen worden (atropine kan echter de stimulerende werking op het cardiovasculair systeem versterken).
Interacties
Talrijke interacties met andere actieve substanties werden beschreven waaronder alfa-2-adrenergica, benzodiazepines, inhalatie-anaesthetica, barbituraten, guaifenesine en neuroleptica. De verschillende combinaties worden in de anesthesie aangewend in functie van de diersoort en de fysiologische of pathofysiologische toestand van het dier. Het rationeel gebruik van benzodiazepines, alfa-2-agonisten of fenothiazines samen met dissociatieve anaesthetica, laat toe de bijwerkingen ondermeer op het cardiovasculair stelsel, te verminderen of onder controle te houden. Wegens de cerebrale vagolytische en sympathicomimetische effecten van deze stoffen kunnen ze gebruikt worden in associatie met alfa-2-adrenerge agonisten. Het gebruik van atipamezol als antidoot van alfa-2-adrenerge agonisten samen met deze combinaties kan leiden tot convulsies, vooral bij de hond. Een andere veel voorkomende combinatie is ketamine of tiletamine met een benzodiazepine, zoals zolazepam, diazepam of midazolam wegens de myorelaxerende en anticonvulsieve eigenschappen van de benzodiazepines. (zie hfdst 10.6.).Thyroïdhormonen kunnen de hypertensie en de tachycardie, veroorzaakt door ketamine, versterken. Chlooramfenicol kan de anesthesieduur verlengen bij de kat door zijn invloed op cytochroom P450.
Voorzorgen bij het gebruik
De ogen blijven open tijdens de anesthesie en moeten bijgevolg beschermd worden. Vermijd tijdens de anesthesie luide geluiden. Omwille van de hallucinaties beschreven bij de mens, worden deze stoffen geklasseerd als verdovende middelen (psychotrofe farmaca) en dienen alle wettelijke bepalingen gevolgd te worden.
Voortplanting en lactatie
Alhoewel ketamine de placentabarrière passeert, treden er aanvaardbare effecten op bij de foeti. Ketamine kan toegediend worden tijdens dracht of lactatie waarbij de neonati na een keizersnede eveneens verdoofd zijn.

Ketamine
- ANESKETIN (Eurovet)
- ketamine (hydrochloride): 100 mg/ml
- oplossing voor injectie iv, im
- Posologie:
- Fe:
- alleen: 10 - 30 mg/kg (im) of 2 - 6 mg/kg (iv)
- na premed: 10 - 22 mg/kg (im) of 3 - 8 mg/kg (iv)
Ca:
- na premed: 5 - 22 mg/kg (im) of 5 - 10 mg/kg (iv) - fles 1 of 5 x 10 ml
- R/psych
- KETAMINE 1000 CEVA (Ceva S.A.)
- ketamine (hydrochloride): 100 mg/ml
- oplossing voor injectie im
- Posologie:
- Na premed met xylazine:
Ca: 5 - 10 mg/kg
Fe: 10 - 20 mg/kg - fles 5 x 10 ml
- R/psych

Tiletamine en zolazepam
Het dissociatief anaestheticum wordt gecombineerd met een benzodiazepine, wegens de myorelaxerende en anticonvulsieve werking. Door de associatie van deze stoffen in eenzelfde preparaat wordt de practicus verhinderd de dosis van de actieve stoffen afzonderlijk aan te passen aan de behoefte van het dier.
Voor zolazepam zie: Benzodiazepines
- ZOLETIL 100 (Virbac)
- tiletamine: 50 mg/ml
zolazepam: 50 mg/ml - poeder voor oplossing voor injectie im, iv
- Posologie:
- premedicatie: atropine
dosis in mg totaal actieve stoffen
Ca:
onderzoek: 7 - 10 mg/kg (im), 5 mg/kg (iv)
korte chirurgie: 10 - 15 mg/kg (im), 7,5 mg/kg (iv)
uitgebreide chirurgie: 15 - 25 mg/kg (im), 10 mg/kg (iv)
Fe:
onderzoek, korte chirurgie: 10 mg/kg (im), 5 mg/kg (iv)
uitgebreide chirurgie: 15 mg/kg, 7,5 mg/kg (iv)
wilde dieren: zie speciale bijsluiter - fles 500 mg (poeder) + 5 ml diluens
- R/

Propofol
Specialiteiten met: propofol
Indicaties
Propofol is een fenolderivaat dat enkel intraveneus gebruikt kan worden als een snelwerkend anaestheticum met een korte werkingsduur. Het wordt aangewend als inductiemiddel voor een inhalatieanesthesie of als continu infuus bij korte of middellange ingrepen. Propofol is beschikbaar als een olie-in-water-emulsie. Omwille van de aard van het oplosmiddel (o.m. soyaolie zonder conserveringsmiddel) kan bacteriële contaminatie snel optreden. Eénmaal een ampule geopend, bewaart de emulsie zeer slecht (maximaal 6 uur in de koelkast). Bij multiple aanprikken van de doorprikstop, dient de vereiste hygiëne gerespecteerd te worden (ontsmetten van de stop en gebruik van steriel materiaal).
Farmacodynamie
Het exacte werkingsmechanisme is nog niet opgehelderd. Propofol heeft een invloed op de inhibitorische GABA (gamma amino boterzuur) neurotransmitter en doet de metabole activiteit van de hersenen dalen. Een lage dosering induceert een sedatief effect. Bij de meeste huisdieren induceert een intraveneuze bolus een snelle en korte anesthesie met een aanvaardbare spierrelaxatie, doch een matige analgesie. Continue toediening (of herhaalde boli) is mogelijk, doch voor chirurgische ingrepen zijn bijkomend analgetica vereist. Pijnreacties tijdens de intraveneuze toediening zijn mogelijk doch het product is weinig tot niet irriterend voor de weefsels. De posologie hangt af van de aangewende premedicatie (lagere dosering bij alfa-2-agonisten).
Farmacokinetiek
Propofol is een sterk vetoplosbaar anaestheticum waarbij een snelle opname door de weefsels (o.m. hersenen) gebeurt. De korte actieduur en het volledig ontwaken bij de meeste diersoorten zijn te wijten aan de snelle herdistributie vanuit de hersenen naar de perifere weefsels en aan de efficiënte eliminatie uit het plasma. De metabolisatie gebeurt in de lever doch tevens in de longen en de nieren (extrahepatisch). De excretie gebeurt primair door de nieren. Er is geen tot weinig afhankelijkheid noch van de lever, noch van de nieractiviteit. Propofol kan daarom met goed gevolg aangewend worden bij deze afwijkingen. Cumulatief effect bij opeenvolgende toedieningen is mogelijk. Bij de meeste diersoorten veroorzaakt propofol een snelle (binnen 30 – 60 sec) en korte (10 min) anesthesie met een goede spierrelaxatie doch weinig analgesie. Bij de hond wordt een groot deel van propofol gehydroxyleerd door cytochroom P450, om vervolgens geglucuronideerd te worden. Bij de kat is het glucuronidatiemetabolisme minder uitgesproken en trager (minder cytochroom P450) zodat een langere eliminatietijd optreedt met trager ontwaken en eerder cumulatief bij continue toediening. Hetzelfde mechanisme wordt verondersteld verantwoordelijk te zijn voor de vertraagde recovery na toediening van propofol bij windhonden. De metabolisatie bij andere diersoorten is minder goed gekend. Gezien het bestaan van andere metabolisatiewegen, zoals de longen, is het gebruik van propofol verantwoord bij patiënten met nier- en/of leverinsufficiëntie.
Contra-indicaties
Hypoproteïnemie, hypovolemie zijn contra-indicaties. Patiënten in shock of traumapatiënten zijn gevoeliger voor de bijwerkingen.
Bijwerkingen
Bijwerkingen zoals nausea, braken, hypothermie na langdurige infusies en afwijkingen in het gedrag zoals overmatig likken werden beschreven bij hond en kat. Bij zowel de kat als de hond kunnen excitaties tijdens de intraveneuse toediening optreden. Ongecontroleerde spierbewegingen en convulsies kunnen bij de hond worden vastgesteld, vooral bij afwezigheid van een goede premedicatie. Cardiovasculair treedt een dosisgebonden depressie op met hypotensie, bradycardie en een negatief inotroop effect, vergelijkbaar met de kortwerkende thiobarbituraten. Vooral hoge dosissen en/of een snelle intraveneuze injectie kunnen leiden tot ademhalingsdepressie met het optreden van apnee.
Interacties
Propofol kan gebruikt worden samen met andere agentia die inwerken op het zenuwstelsel, zoals die gebruikt voor premedicatie, inhalatie-anaesthetica en spierrelaxantia. Geneesmiddelen met invloed op cytochroom P450 (bijv. chlooramfenicol, cimetidine) of lipofiele stoffen (bijv. fentanyl, halothaan) leiden tot een langere recovery.
Voorzorgen bij het gebruik
Gezien de kans op bacteriële contaminatie, wordt het langdurig bewaren van een geopende ampul of aangeprikte flacon afgeraden.
Voortplanting en lactatie
Propofol passeert de placentabarrière. Door de aanwezigheid van een aanvaardbaar conjugatie enzymsysteem, treedt een eerder minimale depressie van de neonati op. Gegevens over het gebruik bij lacterende honden en katten zijn niet gekend.

Propofol
- PROPOVET 10 mg/ml (Abbott Lab)
- propofol: 10 mg/ml
- emulsie voor injectie iv
- Posologie:
- Ca: inductie:
- geen premed: 6,5 mg/kg
- na premed met niet alfa2-agonist: 4,0 mg/kg
- na premed met alfa2-agonist: 1,0 mg/kg
Fe: inductie:
- geen premed: 8,0 mg/kg
- na premed met niet alfa2-agonist: 6,0 mg/kg
- na premed met alfa2-agonist: 1,2 mg/kg
Ca, Fe: onderhoud:
1,25 - 2,5 mg/kg = 5 minuten anesth - fles 5 x 20 ml
- R/

Neuro-actieve steroïden
Alfaxalone
Specialiteit met alfaxalone

Indicaties
De specialiteit is geïndiceerd bij honden en katten als inductiemiddel vóór inhalatieanesthesie of als enig anestheticum voor de inductie en het onderhoud van de anesthesie voor het uitvoeren van onderzoeken of chirurgische ingrepen.
Farmacodynamie
Alfaxalone is een neuro-actieve steroïdmolecule met de eigenschappen van een algemeen anestheticum. Deze stof veroorzaakt een hypnotische werking door haar interactie met de GABA-receptoren. Bij klinische dosissen is de analgetische werking van alfaxalone beperkt.
Farmacokinetiek
Het distributievolume na een enkele injectie van de klinische doses van 2 en 5 mg/kg LG is bij honden en katten respectievelijk 2,4 l/kg en 1,8 l/kg. Alfaxalone wordt in de lever gemetaboliseerd. Zowel katten als honden vormen dezelfde vijf Fase I (cytochroom P450) alfaxalone metabolieten. De Fase II metabolieten (conjugatie) die bij katten werden waargenomen zijn alfaxalonesulfaat en alfaxaloneglucuronide, terwijl bij honden alfaxaloneglucuronide werd waargenomen.
Bij katten is de gemiddelde halfwaardetijd voor eliminatie uit het plasma (t½) voor alfaxalone ongeveer 45 minuten voor een dosis van 5 mg/kg. Bij honden is de gemiddelde halfwaardetijd voor eliminatie uit het plasma (t½) voor alfaxalone ongeveer 25 minuten voor een dosis van 2 mg/kg. Zowel bij honden als katten vertoont de eliminatie van alfaxalone een niet-lineaire (dosisafhankelijke) farmacokinetiek. Uitscheiding van de metabolieten gebeurt bij honden en katten via de fecale en renale wegen.
Contra-indicaties
Niet gebruiken in combinatie met andere intraveneuze anesthetica.
Bijwerkingen
Een voorbijgaande inductie-apnee kan plaatsvinden. Daarom moeten endotracheale intubatie en zuurstoftoediening worden toegepast. Ook hogere dosissen kunnen eveneens leiden tot ademhalingsdepressie.
Interacties
Bij gelijktijdig gebruik van andere depressoren van het centrale zenuwstelsel wordt verwacht dat de onderdrukkende eigenschappen van alfaxalone worden versterkt. Bij gebruik van combinatie van een of meerdere middelen voor premedicatie kan de benodigde dosis alfaxalone verlaagd worden. Premedicatie met alfa-2-adrenoceptoragonisten kan de duur van de anesthesie op een dosisafhankelijke manier verlengen. Het ontwaken kan eventueel worden verkort door de werking van deze middelen voor premedicatie op te heffen.
Bij het gebruik van benzodiazepines als enige premedicatie bij honden en katten, is de kwaliteit van de anesthesie niet steeds optimaal.
Voorzorgen bij het gebruik
De veiligheid van het product is niet nagegaan bij dieren jonger dan 12 weken oud. De intraveneuze injectie moet traag gebeuren om inductie-apnee te vermijden.
Voortplanting en lactatie
De veiligheid van het product werd niet nagegaan tijdens de dracht of de lactatie. Proeven met alfalaxone bij drachtige muizen, ratten en konijnen toonden echter geen schadelijke gevolgen aan. Het gebruik van deze specialiteit bij drachtige dieren dient dan ook gebaseerd te zijn op de risico/baten analyse.
Alfaxalone
- ALFAXAN 10 mg/ml (Jurox plc)
- alfaxalone: 10 mg/ml
- oplossing voor injectie iv
- Posologie:
- Ca: Inductie:
- zonder premed: 3 mg/kg
- met premed: 2 mg/kg
Fe: Inductie:
- met of zonder premed: 5 mg/kg
Ca: Onderhoud infuus:
- zonder premed: 8 - 9 mg/kg/h
- met premed: 6 - 7 mg/kg/h
Ca: Onderhoud bolus:
- zonder premed: 1,3 - 1,5 mg/kg (per 10 min)
- met premed: 1 - 1,2 mg/kg (per 10 min)
Fe: Onderhoud infuus:
- zonder premed: 10 - 11 mg/kg/h
- met premed: 7-8 mg/kg/h
Fe: Onderhoud bolus:
- zonder premed: 1,6 - 1,8 mg/kg (per 10 min)
- met premed: 1,1 - 1,3 mg/kg (per 10 min) - fles 10 ml
- R/